Verzoek vervangende toestemming erkenning afgewezen
Uit de – inmiddels beëindigde – affectieve relatie tussen de man (van Sudanese nationaliteit) en de vrouw (van Nederlandse nationaliteit) is in 2016 zoon Z geboren, over wie de vrouw van rechtswege het eenhoofdig ouderlijk gezag uitoefent. Z heeft zijn hoofdverblijfplaats bij zijn moeder.
De man, die Z nog nooit heeft gezien en nimmer contact met hem heeft gehad, is gedetineerd. Hij is in 2016 onherroepelijk veroordeeld tot een gevangenisstraf van 36 maanden wegens misdrijven gericht tegen het leven van zowel de vrouw, als van (de toen nog ongeboren) Z, met als bijzondere voorwaarde een contactverbod. Aan de man is medegedeeld dat hij als ongewenst vreemdeling Nederland zal worden uitgezet.
De man verzoekt de Rechtbank om hem vervangende toestemming te verlenen om Z te erkennen. De Rechtbank wijst het verzoek af, waarna de man in appèl gaat.
Het Gerechtshof acht op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting aannemelijk dat de erkenning van Z door de man zal leiden tot veel angst en spanning bij de vrouw. Deze gevoelens zijn wezenlijk, nu de man zich ten tijde van de relatie met de vrouw jegens zowel haar, als (de toen nog ongeboren) Z gewelddadig heeft gedragen. De man heeft, toen de vrouw zwanger was, gedurende een langere periode verscheidene malen tegen haar gezegd dat hij haar en hun ongeboren kind zou doden. Hij heeft ook feitelijk getracht om (de toen nog ongeboren) Z van het leven te beroven, door tegen de buik van de vrouw te schoppen en op haar buik te gaan staan. Daarnaast heeft hij getracht om de vrouw te wurgen. De man is voor deze feiten onherroepelijk veroordeeld tot een gevangenisstraf van 36 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaar en een contactverbod als bijzondere voorwaarde.
Partijen hebben nadien nooit meer contact met elkaar gehad. Dat maakt deze zaak wezenlijk anders dan die in de door de man aangehaalde rechtspraak, waaruit volgt dat een bewezen strafbaar feit niet in de weg hoeft te staan aan erkenning en dat de gestelde negatieve gevolgen van erkenning voor het kind duidelijk aangetoond dienen te worden.
Gelet op (1) de strafrechtelijke veroordeling van de man, (2) de daaraan ten grondslag liggende feiten en omstandigheden, (3) de behandeling van de vrouw voor haar posttraumatische stressstoornis en haar aanvraag voor een urgentieverklaring om te verhuizen en (4) de vreemdelingrechtelijke aspecten van de erkenning (met erkenning staat de deur open naar een verzoek tot omgang en daarmee ook naar de mogelijkheid tot het aanvragen van een verblijfsvergunning), zijn er naar het oordeel van het Hof voldoende zwaarwegende aanwijzingen dat door de erkenning de belangen van de vrouw bij een ongestoorde verhouding met Z worden geschaad en er ten gevolge van de erkenning reële risico’s voor Z zijn dat hij wordt belemmerd in een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling (artikel 1:204 lid 3 BW). Het belang van de man om vervangende toestemming te verkrijgen om Z te erkennen, weegt daar niet tegenop.
Het Hof bekrachtigt de beschikking van de Rechtbank.
De volledige uitspraak is hier na te lezen.