Verzoek van de moeder om vervangende toestemming te verlenen voor een verhuizing toegewezen
Als uitgangspunt geldt dat een ouder bij wie een minderjarig kind het hoofdverblijf heeft, in principe de gelegenheid moet krijgen om met het kind ergens anders een toekomst op te bouwen. Deze vrijheid wordt echter beperkt door de gerechtvaardigde belangen van het kind en de vader.
In deze caus was de Rechtbank van oordeel dat aan de moeder vervangende toestemming verleend diende te worden om met het kind naar haar geboorteplaats te verhuizen. De Rechtbank overwoog als volgt.
De ouders waren ten tijde van de geboorte van het kind jong, de vader 22 en de moeder 18 jaar oud. De moeder woonde op dat moment nog thuis bij haar ouders in haar geboorteplaats, woonplaats B. Na de geboorte van het kind, is de moeder aldaar nog anderhalf jaar met het kind blijven wonen, terwijl de vader in woonplaats A woonde en ieder weekend van A naar B reisde. De moeder is daarna met het kind naar B verhuisd en de ouders hebben aldaar relatief kort, maximaal anderhalf jaar, als gezin samengewoond. Na de verbreking van de relatie van partijen is de moeder met het kind naar woonplaats C verhuisd, waar zij momenteel samenwoont met haar nieuwe partner. De moeder heeft geen betaalde baan en heeft geen opleiding afgerond.
De voorgenomen verhuizing van de moeder met het kind en haar partner naar B zou de moeder in de gelegenheid stellen om terug te keren naar de omgeving waar zij als gezin zijn gestart en het familiebedrijf gezamenlijk met haar ouders en haar partner te drijven. Dan zal zij zich naast het moederschap verder kunnen ontwikkelen, terwijl in de opvang van het kind mede door de oma van moederszijde kan worden voorzien.
Ondanks dat er bij de moeder geen absolute (economische) noodzaak voor de beoogde verhuizing bestaat, is de Rechtbank van oordeel dat de moeder met het voorgaande een relevant belang heeft om (terug) te verhuizen naar B. De Rechtbank neemt hierbij mede haar jonge leeftijd ten tijde van de geboorte van het kind in aanmerking en het feit dat zij – mede daardoor – tot op heden nog geen opleiding heeft kunnen volgen en/of zich professioneel heeft kunnen ontwikkelen. De Rechtbank acht – ondanks het feit dat hierover geen concrete gegevens zijn overgelegd – voldoende aannemelijk geworden dat het de bedoeling is dat de moeder met haar partner in ieder geval zal gaan werken en/of zal deelnemen in het familiebedrijf.
De Rechtbank neemt bovendien in overweging dat het kind relatief kort in (de omgeving van) A heeft gewoond en zij aldaar, gelet op haar jonge leeftijd, nog niet geworteld is door school, vriendjes en dergelijke. B is daarbij voor haar geen nieuwe omgeving, nu zij daar de eerste anderhalf jaar van haar leven samen met haar moeder bij haar opa en oma heeft gewoond.
Verder zal de verhuizing op zichzelf geen invloed hebben op de frequentie en duur van het contact tussen het kind en de vader. Hoewel het kind thans drie van de vier weekenden bij haar vader verblijft, is in het ouderschapsplan al voorzien dat het kind, vanaf het moment dat zij naar de basisschool gaat, om de week in het weekend bij de vader zal zijn.
Wel brengt de verhuizing de nodige reistijd voor zowel het kind, als de vader met zich mee. De moeder heeft naar de mening van de Rechtbank voldoende compensatie en alternatieven aan de vader aangeboden om de consequenties van de voorgenomen verhuizing te verzachten. De Rechtbank acht het redelijk te bepalen dat alle kosten van het halen en brengen in het kader van de zorgregeling door de moeder dienen te worden betaald.
Het voorgaande tegen elkaar afwegend, komt de Rechtbank tot het oordeel dat in de bijzondere omstandigheden van dit geval de belangen van de moeder dienen te prevaleren. Bij dit oordeel heeft de Rechtbank belang gehecht aan de omstandigheid dat de zorgregeling zoals die nu tussen de vader en het kind (naar tevredenheid) verloopt, na de verhuizing grotendeels in stand kan blijven.
De Rechtbank verleent aan de moeder vervangende toestemming voor de verhuizing met het kind naar B, alsmede om haar aldaar in te schrijven op een basisschool en een buitenschoolse opvang.
De volledige uitspraak kan hier worden gelezen.