Verzoek tot vervangende toestemming voor een verhuizing in twee instanties afgewezen
Uit de – inmiddels beëindigde – affectieve relatie tussen partijen is in 2010 een zoon geboren, over wie de man en de vrouw gezamenlijk het ouderlijk gezag uitoefenen. De zoon heeft zijn hoofdverblijfplaats bij de man. In het ouderschapsplan zijn partijen een co-ouderschapsregeling overeengekomen. De vrouw heeft een nieuwe partner gevonden, bij wie zij onlangs is ingetrokken en van wie zij zwanger is.
Het Gerechtshof stelt voorop dat het belang van de vrouw om met haar zoon naar [B] te verhuizen, zonder meer zwaarwegend is. Het belang van de vrouw is daarin gelegen dat zij haar leven naar eigen inzicht (opnieuw) kan inrichten, op een plek waar zij gelukkig is en kan samenleven met haar nieuwe partner en hun (aanstaande) kindje. Bovendien is haar belang erin gelegen dat zij in de buurt van haar familie en vrienden woont. Daartegenover staan niettemin belangen die evenzeer zwaar wegen, waaronder het belang van het kind bij rust, stabiliteit en continuïteit, alsmede het belang van de man om het contact en de omgang met zijn zoon onverminderd te kunnen voortzetten.
Naar het oordeel van het Hof heeft de vrouw onvoldoende onderbouwd dat het meer in het belang van de zoon geacht kan worden om naar [B] te verhuizen, dan om in [A] te blijven wonen. Het is het Gerechtshof onvoldoende duidelijk geworden dat de zoon in [B] in een stabiele woonomgeving terecht zal komen. De vrouw heeft de door de man naar voren gebrachte zorgen met betrekking tot de stabiliteit van haar relatie en haar financiële situatie niet voldoende gemotiveerd weersproken. De vrouw heeft geen baan en is financieel volledig afhankelijk van haar nieuwe partner, die geen wettelijke onderhoudsplicht jegens haar heeft.
Ter zitting hebben beide partijen aangegeven dat het in zijn huidige sociale omgeving goed gaat met hun zoon en dat ook zijn schoolgang goed verloopt, als ook de extra ondersteuning die hij krijgt in het kader van zijn taalontwikkelingsachterstand.
Verder overweegt het Hof dat het feit dat de man werkt en dus niet ieder moment van de dag beschikbaar is voor zijn kind, zoals door de vrouw naar voren gebracht, niet betekent dat de opvoedsituatie van de zoon bij zijn vader niet goed of instabiel zou zijn. Daarbij komt dat – vanwege op de reisafstand – bij een verhuizing naar [B] het onverminderd hebben van contact tussen de zoon en zijn vader als verzorgende ouder onvoldoende is gewaarborgd, hetgeen het Gerechtshof niet in het belang van de zoon acht. De door de vrouw geboden compensatie in de vorm van een ruimere vakantieregeling acht het Hof onvoldoende, gezien de (ruime) zorgregeling zoals door partijen overeengekomen in het ouderschapsplan en zoals die jarenlang is uitgevoerd.
Het Gerechtshof heeft de beschikking van de rechtbank bekrachtigd.
Lees hier de volledige uitspraak.