Verzoek DNA-onderzoek en vervangende toestemming tot erkenning, gezag en een omgangsregeling afgewezen, nu niet aannemelijk is dat de man de verwekker van het kind
In deze zaak hebben partijen een affectieve relatie met elkaar gehad, waaruit in 2007 “Kind 1” is geboren. In 2008 verbreken partijen hun relatie. De vrouw krijgt vervolgens een affectieve relatie met haar huidige partner X, waaruit in 2012 “Kind 2” wordt geboren. Kind 2 is door X erkend.
De man verzoekt de Rechtbank een DNA-onderzoek te gelasten om de vraag te beantwoorden of hij – zoals hij vermoedt – de verwekker is van Kind 2 is. De man heeft verder voorwaardelijk, indien en voor zover blijkt dat hij de verwekker is van Kind 2, verzocht:
– de erkenning van Kind 2 door X te vernietigen;
– de man vervangende toestemming te verlenen om Kind 2 te erkennen;
– te bepalen dat hij gezamenlijk met de vrouw wordt belast met het gezag over Kind 2;
– een omgangsregeling vast te stellen waarbij Kind 2 om de week in het weekend, alsmede gedurende de helft van de vakanties en feestdagen bij de man zal verblijven.
De Rechtbank wijst de verzoeken van de man af, waarop hij in hoger beroep gaat.
Het Gerechtshof is van oordeel dat de man – mede in het licht van de gemotiveerde betwisting door de vrouw – niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij, in de periode dat Kind 2 is verwekt, geslachtsgemeenschap met haar heeft gehad. De man heeft wisselende en tegenstrijdige verklaringen afgelegd over de data waarop die gemeenschap zou hebben plaatsgevonden.
Bovendien blijkt uit de rapportage van de Raad voor de Kinderbescherming – opgesteld in verband met de gezags- en omgangskwesties ten aanzien van Kind 1 – dat de man heeft aangegeven dat de vrouw een kind (Kind 2) heeft gekregen met X. De man sprak destijds met geen woord over zijn vermoedens dat hij de vader van Kind 2 zou (kunnen) zijn, hetgeen wel in de rede had gelegen.
Daarbij acht het Hof van belang dat de vrouw een niet-gerechtelijke DNA-test heeft gedaan, waarvan de resultaten niet door de man zijn betwist, waaruit volgt dat X de verwekker is van Kind 2.
Concluderend komt het Hof tot het oordeel dat het niet aannemelijk is dat de man de verwekker van Kind 2 is, waardoor voor het gelasten van een DNA-onderzoek geen grond bestaat. Het Hof bekrachtigt de beschikking van de Rechtbank.
De uitspraak is hier te lezen.