Verwekker kan vervangende toestemming erkenning verzoeken, ondanks eerder gedane erkenning door ander
Uit de – inmiddels beëindigde – affectieve relatie tussen partijen is in 2010 dochter D geboren. Sinds november 2012 heeft de vrouw een relatie met X. De advocaat van de man heeft op 17 september 2013 de vrouw per brief verzocht om binnen een week te berichten of zij bereid is mee te werken aan erkenning van D door de man. In die brief is tevens aangegeven dat wanneer zij deze toestemming zou weigeren, aan de rechter zou worden verzocht om de man vervangende toestemming tot erkenning te verlenen.
D is op 26 september 2013 met toestemming van de vrouw erkend door X.
De Rechtbank wijst beide verzoeken van de man, (1) om de erkenning door X te vernietigen en (2) om hem op grond van artikel 1:204 lid 3 BW vervangende toestemming tot erkenning van D te verlenen, toe.
In appèl vernietigt het Gerechtshof Amsterdam in zijn uitspraak van 10 maart 2015 de beschikking van de Rechtbank en verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn verzoeken. Het Hof overweegt dat de vrouw X toestemming tot erkenning heeft verleend voorafgaand aan de dag waarop de man zijn verzoekschrift bij de rechtbank heeft ingediend. Toen de vrouw zwanger was van D, wist de man reeds dat hij de verwekker van het ongeboren kind was. De man heeft destijds, en in ieder geval tot de geboorte van D in 2010, de mogelijkheid gehad om haar te erkennen, dan wel om vervangende toestemming daartoe te verzoeken. De door de man aangedragen omstandigheden zijn onvoldoende voor het Hof om aan te nemen dat deze aan een eerder verzoek tot vervangende toestemming in de weg stonden.
De man komt in cassatie en klaagt bij de Hoge Raad tegen het oordeel van het Hof dat hij niet-ontvankelijk is in zijn verzoek omdat hij niet tijdig om toestemming heeft verzocht.
De Hoge Raad heeft bij uitspraak van 30 oktober 2015 het criterium bepaald dat de moeder van het kind aan een andere man dan de verwekker enkel voorwaardelijk toestemming kan verlenen om het kind te erkennen indien de verwekker voordien een verzoek tot vervangende toestemming bij de Rechtbank heeft ingediend (uitspraak van de Hoge Raad d.d. 31 mei 2002) ook aanvaard voor het geval de verwekker door middel van een brief van een advocaat aan de moeder (of aan haar advocaat) om toestemming tot erkenning heeft gevraagd. De Hoge Raad overwoog dat een na een zodanige brief door de moeder aan een andere man gegeven toestemming tot erkenning slechts een voorwaardelijk karakter heeft zolang niet een (nadien) door de verwekker verzochte vervangende toestemming bij een definitief geworden rechterlijke beslissing is geweigerd. Om te voorkomen dat de situatie te lang ongewis blijft, moet de verwekker het verzoek om vervangende toestemming bij de rechtbank in te dienen uiterlijk drie maanden na de dag waarop de brief van de advocaat aan de moeder is verzonden, bij gebreke waarvan een door de moeder aan een andere man gegeven toestemming onvoorwaardelijk wordt.
De Hoge Raad stelt vast dat de man bij brief van zijn advocaat de dato 17 september 2013 de vrouw heeft verzocht om hem toestemming te verlenen om D te erkennen. Het inleidend verzoekschrift is vervolgens op 15 oktober 2013 bij de Rechtbank ingediend, dus binnen de termijn van drie maanden. Volgens de Hoge Raad betoogt het middel dus terecht dat de toestemming van de vrouw voor de erkenning van D door X, die op 26 september 2013 heeft plaatsgevonden, nog slechts een voorwaardelijk karakter had. Het Hof had daarom moeten beoordelen of aan de man p grond van artikel 1:204 lid 3 BW vervangende toestemming tot erkenning kon worden verleend. De Hoge Raad vernietigt en verwijst.
Lees de uitspraak hier terug.