Vervangende toestemming voor tijdelijke verhuizing naar Amerika
De casus was als volgt. Uit het – in 2012 door echtscheiding ontbonden – huwelijk tussen de man en de vrouw is in 2005 zoon Z geboren. Beide partijen zijn belast met het ouderlijk gezag over Z. Z heeft zijn hoofdverblijfplaats bij zijn moeder, die een nieuwe relatie heeft met X.
De vrouw heeft de rechtbank verzocht om haar vervangende toestemming te verlenen om met Z naar Amerika te verhuizen en hem aldaar in te schrijven op een internationale school. X – werkzaam bij het ministerie van Defensie – is voor drie jaar uitgezonden naar de Verenigde Staten. De rechtbank wijst het verzoek van de vrouw toe.
De man komt hiertegen in hoger beroep.
Het hof volgt de vrouw in haar onderbouwing dat de tijdelijke overplaatsing van X in verband met zijn carrièremogelijkheden (meer dan) wenselijk is en acht de economische noodzaak van de verhuizing voldoende aannemelijk. Bovendien is het hof van oordeel dat van de vrouw niet kan worden gevergd dat zij met Z in Nederland blijft wonen. Een verbreking van het huidige gezinsverband waarin Z opgroeit acht het hof niet in zijn belang.
Het hof is verder van oordeel dat de man zijn stelling dat Z – vanwege zijn hoogbegaafdheid – niet in staat zou zijn om de tijdelijke verhuizing te verwerken, niet voldoende onderbouwd. Het hof acht Z op basis van het kindgesprek hiertoe juist wel in staat en ziet in de verhuizing een leerzame uitdaging voor Z.
Het hof is voorts van oordeel dat de vrouw er blijk van heeft gegeven de belangen van de man op behoorlijke wijze in aanmerking te nemen, door onder meer (I) in te stemmen met een langdurig verblijf van Z bij de man gedurende de vakanties, (II) een financiële bijdrage te leveren voor de reiskosten naar de Verenigde Staten en (III) ruime gelegenheid te geven voor contacten via sociale media en de telefoon. Naar de mening van het hof krijgt de man voldoende ruimte om een actieve rol in het leven van Z te blijven vervullen, zeker nu het verblijf van de vrouw in de Verenigde Staten van tijdelijke aard zal zijn. De vrees van de man dat dat niet het geval zal blijken te zijn, acht het hof niet op feiten gestoeld. De beschikking van de rechtbank wordt door het hof bekrachtigd.
De volledige uitspraak is hier te lezen.