Vervangende toestemming voor (familie)reis naar Curaçao
Uit de – inmiddels beëindigde – affectieve relatie tussen partijen is (de nu nog minderjarige) zoon Z geboren, over wie zij gezamenlijk het ouderlijk gezag uitoefenen. Z heeft zijn hoofdverblijfplaats bij de moeder. Tussen hem en de vader is een zorgregeling van kracht, waarbij hij om de week een weekend bij zijn vader verblijft.
Wat was de kwestie?
De vader wil met zijn zoon Z op familiebezoek naar Curaçao. De moeder weigert Z aan de vader af te geven zolang er geen onderzoek is gedaan naar de oorzaak van de striemen/littekens van Z. In kort geding vordert de vader vervangende toestemming om met Z van 24 oktober t/m 7 november 2023 af te reizen naar Curaçao en aldaar te verblijven, met veroordeling van de moeder tot afgifte van Z gedurende die periode aan hem.
De voorzieningenrechter overweegt als navolgend. Niet is gebleken dat een vakantie naar Curaçao met de vader niet veilig zou zijn voor Z. De Raad voor de Kinderbescherming oordeelde in juni 2022 – toen partijen waren verwikkeld in een gerechtelijke procedure over de hoofdverblijfplaats van Z en de in dat kader vast te stellen zorgregeling – dat beide ouders in staat zijn om een goed opvoedklimaat aan Z te bieden. De voorzieningenrechter heeft geen aanleiding om te veronderstellen dat dat beeld nu niet meer klopt. Er is weliswaar contact geweest met Veilig Thuis, maar daar zijn geen stukken van overgelegd. Ook blijkt niet dat er door Veilig Thuis nader onderzoek zou zijn verricht. De vader stelt dat Veilig Thuis geen contact met hem heeft opgenomen.
De voorzieningenrechter is dan ook van oordeel dat het onderzoek en advies van de Raad voor de Kinderbescherming nog altijd geldt. Daarbij komt dat de vader nog twee oudere kinderen heeft (van 8 en 10 jaar oud), die om de week een week bij hem verblijven. De voorzieningenrechter heeft dan ook geen gegronde redenen om aan te nemen dat Z niet veilig zou zijn bij de vader. Verder is de voorzieningenrechter van oordeel dat het in het belang van Z dient te worden geacht om naar Curaçao af te reizen om daar met zijn familie het 30-jarige huwelijk van zijn opa en oma te vieren. In dit kader heeft te gelden dat Z ook zijn wortels heeft op Curaçao.
De voorzieningenrechter wijst de vordering toe en ziet in de houding van de moeder aanleiding om hieraan een (bescheiden) dwangsom te verbinden als prikkel tot nakoming. Tevens bepaalt de voorzieningenrechter, hoewel de vader dat niet heeft gevorderd, dat de moeder gehouden is om vóór de reis naar Curaçao het paspoort van Z aan de vader af te geven.
De uitspraak is hier na te lezen.