Vervangende toestemming voor de moeder om met de minderjarige in Sri Lanka te blijven
Uit het huwelijk tussen partijen (beiden van Sri Lankaanse nationaliteit) is in 2015 in Sri Lanka dochter D geboren, over wie zij gezamenlijk het ouderlijk gezag uitoefenen. Het gezin is woonachtig in Sri Lanka. In 2017 vestigt de man zich als expat in Nederland. In 2018 voegen de vrouw en D zich bij hem. In 2020 gaan partijen feitelijk uiteen, waarin in 2022 hun huwelijk door echtscheiding wordt ontbonden. D woont bij haar moeder.
In oktober 2022 geeft de man schriftelijk toestemming aan de vrouw om in de periode 14 december 2022 tot 8 januari 2023 naar Sri Lanka te reizen. De vrouw keert echter niet terug naar Nederland. Op 23 januari 2023 mailt de vrouw aan de man dat zij met D in Sri Lanka blijft.
De vrouw verzoekt de rechtbank om haar (alsnog) vervangende toestemming te verlenen om met D naar Sri Lanka te verhuizen, zodat zij met D in Sri Lanka kan blijven wonen.
De rechtbank overweegt als navolgend.
Het gezin is in het kader van het werk van de man als expatgezin naar Nederland gekomen. De man heeft eind 2017 in Nederland een baan gekregen, met een daaraan gekoppelde verblijfsvergunning. De vrouw is de man kort daarop samen met D gevolgd. De man heeft inmiddels in Nederland een dienstverband voor bepaalde tijd (twee jaar). De man en de vrouw hebben beiden na hun komst naar Nederland voor lange(re) duur in Sri Lanka verbleven. De vrouw verbleef in 2019 zes maanden in Sri Lanka en de man heeft aldaar van december 2020 tot en met maart 2022 gewerkt. Zowel de man, als de vrouw geven aan zich verbonden te voelen met Sri Lanka en voor beiden geldt dat de familie en het sociale netwerk in Sri Lanka is. Gezien deze feiten en omstandigheden acht de rechtbank het aannemelijk dat beide partijen de intentie hebben (gehad) om op termijn terug te keren naar Sri Lanka.
Gebleken is dat die intentie bij de man niet is veranderd. Weliswaar is hij na zijn 15 maanden durende verblijf in Sri Lanka op 23 maart 2022 weer teruggekeerd naar Nederland, maar ter zitting heeft hij verklaard dat hij teleurstellingen in Nederland heeft ervaren en hier uitsluitend en alleen voor D is. Bovendien is zijn verblijfsvergunning afhankelijk van zijn arbeidscontract dat afloopt op 23 oktober 2023. De man heeft momenteel geen uitzicht op een nieuw arbeidscontract in Nederland, geeft aan daar ook niet naar op zoek te zijn en verblijft in een tijdelijke huurwoning.
Vast staat dat de vrouw en D in Sri Lanka een woning en familie hebben waar zij op terug kunnen vallen. Dit zijn overigens omstandigheden waar ook de man in de echtscheidingsprocedure op heeft gewezen ter onderbouwing van zijn standpunt dat D ‘in Sri Lanka hoort’. De vrouw beschikt in Nederland niet over woonruimte, noch over werk. Daarentegen ziet zij voor zichzelf mogelijkheden om in Sri Lanka een opleiding te gaan volgen, zodat zij in de toekomst in haar eigen levensonderhoud kan voorzien.
Hoewel D tot voor kort in Nederland naar school ging en daar haar sociale contacten heeft gehad, is zij – gelet op haar leeftijd – primair verbonden aan haar ouders. Niet gebleken is dat er in Nederland, afgezien van haar ouders en een oom, mensen zijn met wie zij een bijzondere band heeft ontwikkeld. Daar komt bij dat de rol van de man in het leven van D beperkt is geweest. D is hoofdzakelijk verzorgd en opgevoed door haar moeder. De man is in haar leven veelal afwezig geweest; er is inmiddels al vier jaar nauwelijks contact met elkaar. Anders dan de man stelt, is dit in ieder geval deels ook hemzelf aan te rekenen. Immers, de man is in december 2020, terwijl er net hulpverlening vanuit het Veilig Verder Team bij het gezin betrokken was geraakt, teruggekeerd naar Sri Lanka. Vervolgens is hij pas 15 maanden later teruggekeerd naar Nederland. Kort voor zijn terugkeer vond de mondelinge behandeling van de echtscheiding met nevenvoorzieningen plaats, waarvoor hij heeft aangegeven niet voornemens te zijn om naar Nederland voor terug te keren.
In de echtscheidingsbeschikking heeft de rechtbank het verzoek van de man tot vaststelling van een zorgregeling afgewezen, overwegende: ‘Gelet op de houding van de man ten aanzien van de benodigde communicatie met de vrouw over het contact met [D] acht de rechtbank een door de rechtbank bepaalde en gereglementeerde (video)belverbinding niet uitvoerbaar in de praktijk’. De rechtbank heeft bepaald dat partijen in onderling overleg tot een (video)belregeling kunnen komen en in dat kader overwogen: ‘Indien de man terug zou keren naar Nederland, is er sprake van een gewijzigde omstandigheid en kan hij opnieuw een verzoek om vaststelling van een zorgregeling indienen’.
Desondanks heeft de man – na zijn terugkeer in Nederland in maart 2022 – geen initiatief genomen ten aanzien van het contact met zijn dochter. Hij heeft geen initiatief genomen om de (video)belregeling (weer) op te starten, noch zich gemeld bij de hulpverlening die specifiek op de opbouw van het contact tussen D en haar vader gericht was, noch een nieuw verzoek bij de rechtbank ingediend tot vaststelling van een zorgregeling.
Uit het voorgaande vloeit voort dat het aan de ene kant allerminst zeker is dat de man zelf na afloop van zijn huidige dienstverband in Nederland zal blijven, terwijl aan de andere kant de vrouw een stabiel leven heeft in Sri Lanka, waar ook de familie van de man woonachtig is. Bovendien is de man mede door zijn eigen keuzes sinds het uiteengaan van partijen grotendeels niet aanwezig geweest in het leven van zijn dochter. Gelet op die stand van zaken is de rechtbank van oordeel dat een belangenafweging ertoe noopt om de vrouw vervangende toestemming te verlenen om met D naar Sri Lanka te verhuizen. De rechtbank wijst het verzoek van de vrouw toe.
De uitspraak is hier te lezen.