Vervangende toestemming gekregen om 100 km verderop te verhuizen
In deze zaak ging het om het volgende. Uit de – inmiddels beëindigde – affectieve relatie tussen de man en de vrouw zijn twee minderjarige kinderen geboren, over wie partijen gezamenlijk het ouderlijk gezag uitoefenen. De kinderen hebben hun hoofdverblijfplaats bij hun vader. Tussen partijen is een co-ouderschapsregeling van kracht, waarbij de kinderen de helft van de week bij ieder van hun ouders verblijven.
De vrouw verzoekt de rechtbank om (1) de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij haar te bepalen en (2) haar vervangende toestemming te verlenen om met de kinderen te verhuizen van A naar het 100 kilometer verderop gelegen B.
De rechtbank overweegt het volgende. Hoewel de vrouw het recht heeft om een nieuw leven op te bouwen, zal een verhuizing voor de kinderen grote gevolgen hebben voor het contact dat zij nu met hun vader hebben en zal de man in de invulling van zijn ouderlijk gezag worden beperkt. Momenteel is er sprake van een co-ouderschapsregeling en is het hoofdverblijf van de kinderen, onder andere vanwege financiële overwegingen, bij de man bepaald. Wanneer de vrouw vervangende toestemming zou krijgen om met de kinderen naar B te verhuizen en de man in A blijft wonen, zal het contact tussen de man en de kinderen worden beperkt.
Naar het oordeel van de rechtbank is de wens van de vrouw om naar B te verhuizen een logisch gevolg van haar opleiding tot medisch specialist, die zij tijdens de relatie van partijen is gestart. Er is in Nederland maar één behandelcentrum voor die medische specialisatie, in B, waar de vrouw een schriftelijke toezegging voor een baan van heeft ontvangen. De rechtbank kan de vrouw in die zin volgen in haar standpunt dat een verhuizing naar B voor haar in de rede ligt.
Tussen partijen staat vast dat zij het liefst de bestaande co-ouderschapsregeling voortzetten. De rechtbank overweegt dat het belang van de man zeker meeweegt in de beoordeling van het verzoek, maar concludeert tevens dat de man – die zzp’er is – ook in de omgeving van B kan werken; hij is niet gebonden aan de omgeving van A. De man stelt weliswaar dat zijn netwerk zich bevindt in de omgeving van A, maar gebleken is dat hij in het verleden ook werkzaam is geweest buiten deze regio, terwijl het ook mogelijk is – al dan niet door social media – om buiten de omgeving A een netwerk op te bouwen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de man, in tegenstelling tot de vrouw, niet gebonden is aan een vaste werkplek of -omgeving.
De rechtbank overweegt dat een verhuizing voor de kinderen grote gevolgen zal hebben. Tevens betrekt de rechtbank bij de belangenafweging dat de onderlinge communicatie tussen partijen goed verloopt en dat het hen lukt om samen invulling te geven aan het ouderschap en beslissingen over hen te nemen in het kader van de opvoeding en verzorging.
Alles tegen elkaar afwegende komt de rechtbank tot het oordeel dat de belangen van de vrouw dienen te prevaleren boven die van die man. De rechtbank wijst de verzoeken van de vrouw toe.