Vakantie in tijden van Corona II
Uit de – beëindigde – affectieve relatie tussen de ouders zijn drie (nu nog) minderjarige kinderen geboren, over wie zij het ouderlijk gezag gezamenlijk uitoefenen. De kinderen hebben hun hoofdverblijfplaats bij hun moeder en hun vader woont op Curaçao.
In kort geding verzoekt de vader om aan hem vervangende toestemming te verlenen voor het verblijf van de kinderen bij hem op Curaçao gedurende de twee weken in de zomervakantie, waarbij de kinderen onder begeleiding van KLM via de zogenoemde Unaccompanied Minor-service (hierna: UM-service) zouden vliegen.
Voor de moeder is het geen optie om de kinderen middels de UM-service te laten vliegen. Twee kinderen hebben PDD-NOS en zij acht het ondoenlijk voor hen om een dergelijke lange vliegreis af te leggen zonder een ouder naast zich. Bovendien kampt dochter D met een ernstige eetstoornis, waarvoor zij naar verwachting binnenkort zal worden opgenomen. Ook voor dochter D acht de moeder een reis naar Curaçao geen optie, nog daargelaten dat de vader geen rekening houdt met de risico’s rondom Covid-19. De moeder wenst het risico op besmetting voor de kinderen zo klein mogelijk te maken. Bovendien acht zij het risico op een nieuwe lockdown niet ondenkbaar, in welk geval de kinderen niet terug kunnen komen. Verder zijn er volgens de moeder eind juni op Curaçao nog ongeregeldheden geweest.
De Voorzieningenrechter constateert dat ten tijde van de mondelinge behandeling en de uitspraak volgens de Nederlandse overheid reizen vanuit Nederland naar Curaçao mogelijk is. Naar het oordeel van de Voorzieningenrechter is in deze zaak niet alleen sprake van ‘een vakantie’ van een ouder met de kinderen. De vader woont tenslotte op Curaçao en heeft de kinderen al enkele maanden niet fysiek gezien. Vanwege Covid-19 was het vliegen in de periode gelegen tussen maart en juli 2020 niet mogelijk en heeft de vader geen uitvoering kunnen geven aan de zorgregeling door naar Nederland te (kunnen) komen. De Voorzieningenrechter acht het van belang dat de vader en de kinderen elkaar kunnen zien en tijd met elkaar kunnen doorbrengen. Voor een goede band tussen de vader en de kinderen is dit, ondanks de afstand, van wezenlijk belang. Verder is het belangrijk dat de kinderen tijd kunnen doorbrengen met hun op Curaçao woonachtige halfbroertje. Kinderen hebben op grond van de wet recht op omgang met beide ouders. Dat betekent dat in deze situatie, waarbij de vader op Curaçao woont, een andere afweging aan de orde is, dan enkel de vraag of een vakantie in Curaçao op dit moment het meest wenselijk is.
Hoewel de Voorzieningenrechter begrip heeft voor de bezwaren van de moeder om in de huidige tijden van Corona te gaan vliegen, volgt de Voorzieningenrechter het advies van het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Vliegen wordt als veilig bestempeld, voor Curaçao geldt het reisadvies ‘code geel’ en de vader heeft aangegeven de geldende voorzorgsmaatregelen strikt in acht te zullen nemen. Als de voorschriften in acht worden genomen, kan een reis naar Curaçao als voldoende verantwoord aangemerkt worden. Derhalve ziet de Voorzieningenrechter geen belemmering om de gevraagde toestemming aan de vader te verlenen.
In de door de moeder gestelde ongeregeldheden, afgelopen juni, op Curaçao, ziet de Voorzieningenrechter evenmin reden om de toestemming te onthouden. De Nederlandse overheid heeft op grond van deze ongeregeldheden geen negatief reisadvies afgegeven. Bovendien woont de vader in een zogenaamd ‘gated community’, met 24-uurs bewaking. Het is aan de vader om gedurende het verblijf van de kinderen bij hem zorg te dragen voor hun veiligheid. Er zijn geen indicaties dat hij daartoe niet in staat zal zijn.
De Voorzieningenrechter deelt de zorgen omtrent het gewicht van dochter D. Het is goed dat hiervoor hulp is gezocht en dat hier binnen afzienbare tijd aan gewerkt gaat worden. De Voorzieningenrechter begrijpt dat D hierdoor kwetsbaar is, maar ziet onvoldoende aanleiding om hierdoor geen toestemming te geven voor de reis naar Curaçao. De vader heeft verklaard dat hij het eetprobleem van D serieus neemt en dat hij erop zal toezien dat zij zo nodig de speciale ‘krachtvoeding’ zal innemen.
De voorzieningenrechter maakt uit de informatie van KLM op dat zij de UM-service aanbiedt vanaf de 8-jarige leeftijd. De kinderen van partijen zijn allen ouder dan 8 jaar. Mede gelet op het feit dat de kinderen vaker hebben gevlogen, waaronder eerder naar en van Curaçao, ziet de Voorzieningenrechter geen belemmering in het vliegen via de UM-service. Ook de Raad voor de Kinderbescherming heeft aangegeven dat het reizen met de UM-service voor kinderen van de leeftijd die de kinderen hebben niet bezwaarlijk is. Indien en voor zover er bij twee van de kinderen sprake zou zijn van PDD-NOS, is de Voorzieningenrechter niet gebleken dat de aanwezigheid van een ouder bij het reizen noodzakelijk is.
De Voorzieningenrechter wijst het verzoek toe. De uitspraak is hier na te lezen.