Moeder moet met kinderen terugverhuizen
Uit het huwelijk tussen partijen zijn drie kinderen geboren. Partijen oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag over hen uit. Het gezin woont in [A]. In 2015 gaan partijen uit elkaar, waarna in in 2018 hun huwelijk door echtscheiding wordt ontbonden. De kinderen hebben hun hoofdverblijfplaats bij hun moeder. De vrouw is inmiddels met de kinderen naar het 7 kilometer verderop gelegen [B] verhuisd.
In kort geding vordert de vrouw vervangende toestemming voor haar verhuizing met de kinderen naar [B]. De Voorzieningenrechter wijst de vordering af en gebiedt de vrouw om binnen twee weken na de uitspraak met de kinderen terug naar [A] te verhuizen. De vrouw voldoet vervolgens niet aan het gebod en verzoekt in een bodemprocedure de Rechtbank om haar alsnog vervangende toestemming voor de verhuizing te verlenen.
De Rechtbank overweegt dat de door de vrouw gestelde medische noodzaak om haar voormalige woning te verlaten en te verhuizen voldoende heeft onderbouwd. De vrouw woonde in [A] in een flat zonder lift. Aangezien uit de medische verklaring van de revalidatiearts van zoon Z (7 jaar) blijkt dat hij alleen veilig kan traplopen als hij niet moe is en niet wordt afgeleid, begrijpt de Rechtbank dat het voor de vrouw om die reden noodzakelijk was om te vertrekken uit haar oude woning en te verhuizen naar een gelijkvloerse woning of een woning met een lift. Daarentegen heeft de vrouw de noodzaak om naar [B] te verhuizen onvoldoende onderbouwd. Zij heeft tenslotte naar eigen zeggen niet onderzocht of zij in [A] een vergelijkbare woning als die in [B] kon krijgen.
De Rechtbank overweegt voorts dat het centrum van het leven van de kinderen zich afspeelt in [A], terwijl zij nu in [B] wonen. Dat de kinderen op hun huidige school in [A] zullen blijven, daar zijn partijen het over eens. Echter, het feit dat de kinderen in [B] wonen, maakt het voor hen lastig om met (school)vriendjes af te spreken. Vanwege de afstand moet er altijd vervoer geregeld worden, dat niet altijd mogelijk zal zijn. De afstand tussen [A] en [B] is weliswaar niet zo groot, maar voldoende om tot praktische problemen te leiden, die het voor de kinderen moeilijker maakt om hun sociale leven in [A] vorm te geven en verder op te bouwen en uit te breiden, dat niet in hun belang is.
Daar komt bij dat de communicatie tussen partijen al enige tijd ernstig is verstoord. De vrouw heeft de man niet geïnformeerd over haar voornemen om te verhuizen en partijen hebben daar ook geen overleg over gevoerd. De vrouw had wellicht het gevoel geen andere keuze te hebben dan te verhuizen, maar het gevolg is wel dat de communicatie tussen partijen hierdoor verder is verslechterd en zij uitsluitend nog communiceren via e-mail. Naar verwachting van de Rechtbank zal de communicatie tussen partijen verder verslechteren als de huidige situatie in stand blijft. Daarbij is van belang dat er in de toekomst, als de vrouw in [B] zou blijven wonen, waarschijnlijk meer praktische problemen zullen ontstaan, voornamelijk met betrekking tot het sociale leven van de kinderen. Praktische problemen leiden tot meer overleg tussen partijen als ouders, waartoe zij (nog) niet in staat zijn gebleken.
Concluderend is de Rechtbank van oordeel dat het belang van de vrouw om naar [B] te verhuizen op dit moment niet prevaleert boven de belangen van de kinderen om in [A] te blijven wonen, waar hun sociale leven zich afspeelt en waar zij dichter in de buurt van hun vader zijn. De Rechtbank wijst het verzoek van V dan ook af. De Rechtbank hecht eraan op te merken dat het voor een zo gunstige mogelijke ontwikkeling van de kinderen belangrijk is dat de vrouw met de kinderen in een passende woning in [A] kan gaan wonen. Hoewel de Rechtbank er begrip voor heeft dat hiermee wellicht enkele maanden gemoeid kan zijn, gaat zij ervan uit dat de vrouw zich voortvarend zal inzetten om de terugverhuizing naar [A] zo spoedig mogelijk te realiseren.
Deze uitspraak van de Rechtbank Midden-Nederland d.d. 3 september 2018 (zaaknummer C/16/463304 / FO RK 18-1091) is niet gepubliceerd.