Moeder met eenhoofdig gezag mag niet met haar kind naar Spanje verhuizen
Partijen zijn de ouders van een (thans nog minderjarige) zoon. De vader heeft de zoon erkend en de moeder oefent van rechtswege het (eenhoofdig) gezag over hem uit.
De vader is een procedure bij de rechtbank gestart om (onder meer) samen met de moeder het gezag over de zoon te krijgen.
De moeder heeft het voornemen geuit om met de zoon naar Spanje te verhuizen. Hierop is de vader een kortgedingprocedure gestart. Hij heeft de voorzieningenrechter – kort gezegd – gevraagd om het de moeder te verbieden met de zoon naar Spanje te verhuizen.
In eerste aanleg heeft de voorzieningenrechter heeft de vordering van de vader toegewezen en het de moeder verboden met de zoon naar het buitenland te verhuizen, dan wel om een ander met de zoon te laten verhuizen, dan wel naar het buitenland te reizen.
De moeder is van deze uitspraak in hoger beroep gekomen, met de bedoeling om alsnog toestemming te verkrijgen om met de zoon naar Spanje te mogen verhuizen.
Het hof overweegt dat voor zover de moeder meent dat zij met de zoon mag verhuizen omdat zij eenhoofdig gezag heeft, het hof zich aansluit bij de relatief recente uitspraak van de Hoge Raad van 15 oktober 2021 van de Hoge Raad. In deze uitspraak heeft de Hoge Raad geoordeeld dat ook bij eenhoofdig gezag een grondslag bestaat om de keuzevrijheid van de met het gezag belaste ouder ten aanzien van de woonplaats van het kind te beperken, indien deze ouder niet voldoet aan de verplichting omgang tussen het kind en de andere ouder te bevorderen, wettelijk vastgelegd in artikel 1:247 lid 3 BW. Op grond van artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is de rechter in zodanig geval gehouden alle in het gegeven geval gepaste maatregelen te nemen om de met het gezag belaste ouder ertoe te bewegen alsnog medewerking te verlenen aan omgang tussen het kind en de andere ouder. Een verbod aan de met het gezag belaste ouder om te verhuizen, dan wel een bevel aan deze om terug te verhuizen, kan een passende maatregel zijn.
Kort en goed, eenhoofdig gezag geeft de moeder geen vrijbrief om met de zoon naar Spanje te verhuizen. Hier staat tegenover dat, gelet op het feit dat de moeder het eenhoofdig gezag over hem heeft, de verhuiscriteria die op grond van artikel 1:253a BW in de rechtspraak zijn ontwikkeld, niet onverkort van toepassing zijn.
De moeder heeft een grote wens om in Spanje te gaan wonen zodat haar kinderwens in vervulling kan laten gaan. De moeder heeft diverse gezondheidsklachten en slikt daarvoor medicatie. Het klimaat in Spanje heeft een dusdanig gunstig effect op haar aandoeningen, dat zij daardoor met haar medicatie kan stoppen en zwanger kan raken. Zij heeft een donor gevonden, maar de donorovereenkomst is slechts tot 1 juli 2023 geldig. De moeder en haar partner hebben de nodige stappen gezet om een leven in Spanje op te kunnen bouwen. De moeder ziet wel in dat het belang van de zoon gediend is met een frequente omgang met zijn vader en in dat kader heeft zij voorstellen gedaan.
Het hof stelt voorop dat op de moeder de verplichting rust om de omgang tussen de zoon en de vader te bevorderen. Op dit moment heeft de zoon wekelijks omgang met zijn vader. Een verhuizing naar Spanje zal grote gevolgen hebben voor deze omgangsregeling. Vanwege de afstand, de reistijd en de reiskosten is het maar de vraag in hoeverre een frequente omgang mogelijk is. De door de moeder in dat kader gedane voorstellen acht het hof niet realistisch en haalbaar. Het is namelijk maar de vraag of de moeder telkens vrij kan krijgen om met de zoon naar Nederland af te reizen, of dit gezien de schooltijden van de zoon haalbaar is en of de moeder (ook op lange termijn) in staat is deze financiële last te dragen. Daarbij acht het hof de enorme reistijd niet in het belang van de zoon . In het voorstel van de moeder moet de zoon immers iedere drie weken op en neer naar Nederland reizen om zijn vader te kunnen zien. Naar het oordeel van het hof levert dit een enorme belasting op voor de zoon, waarbij de moeder van de zoon verlangt dat hij zijn sociale leven afstemt op de omgang met zijn vader. Dit zal, naarmate de zoon ouder wordt en meer een eigen sociaal leven opbouwt, een steeds grotere belasting voor hem opleveren.
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de gevolgen van een verhuizing dusdanig ingrijpend zijn voor de omgang tussen de zoon en de vader, dat dit een verhuisverbod rechtvaardigt.
Tot slot merkt het hof merkt nog op dat de vordering van de moeder, inhoudende het verlenen van vervangende toestemming voor een verhuizing niet in deze procedure aan de orde kan zijn. Enerzijds is er geen sprake van gezamenlijk gezag en anderzijds leent de aard van deze kortgedingprocedure zich niet voor behandeling van een dergelijk verzoek.
Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank.
De uitspraak is hier te lezen.