Man moet meewerken aan verkoop echtelijke woning
Partijen zijn in 1990 in gemeenschap van goederen getrouwd. Tot de huwelijksgemeenschap behoort de echtelijke woning, die met een hypotheekschuld bezwaard is.
In 2016 verbreken partijen hu relatie, waarna de vrouw de woning verlaat en elders gaat wonen. In het daaropvolgende jaar wordt het huwelijk door echtscheiding ontbonden. De rechtbank heeft de voormalige echtelijk woning aan de man toegedeeld, onder de verplichting de hypotheekschuld voor zijn rekening te nemen en ervoor zorg te dragen dat de vrouw worden ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid. De man slaagt er vervolgens niet in om de woning over te nemen.
De vrouw vordert de Rechtbank om haar te machtigen om de woning te gelde te maken en alles te mogen doen wat noodzakelijk is voor de verkoop daarvan. De vrouw stelt zich op het standpunt dat niet langer van haar kan worden verlangd dat de woning onverdeeld blijft.
De Rechtbank vat de vordering van de vrouw op als een vordering tot verdeling in de zin van artikel 3:185 BW en stelt vast dat de man al ruim anderhalf jaar heeft laten verstrijken zonder dat de overname van de woning is gerealiseerd, of hiermee in ieder geval een start is gemaakt. Uit niets is gebleken dat de man zich heeft ingespannen om de woning op zijn naam te krijgen en de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de hypotheekschuld te (laten) ontslaan.
De stelling van de man dat hij inmiddels wel in staat is om de woning te financieren en dat hij drukdoende is om dit te realiseren, is op geen enkele manier door hem onderbouwd. Ter zitting is de man bovendien niet verschenen, zodat de Rechtbank hem geen vragen dienaangaande heeft kunnen stellen. Onder die omstandigheden kan van de vrouw niet worden gevergd dat zij nog langer in onverdeeldheid blijft.
De Rechtbank bepaalt dat de woning zo snel mogelijk dient te worden verkocht en geleverd aan (een) derde(n) en dat de over- c.q. onderwaarde tussen partijen bij helfte dient te worden verdeeld c.q. gedragen. De Rechtbank beveelt de man om zijn medewerking aan het in de verkoop zetten en het verkopen van de woning te verlenen, waarbij door de makelaar de vraag- en verkoopprijs – zoveel als mogelijk in overleg met partijen – zal worden bepaald.
De uitspraak is hier na te lezen.