Internationale kinderontvoering en de weigeringsgronden ex artikel 13 Haags Kinderontvoeringsverdrag
Uit het huwelijk tussen partijen vier – thans nog minderjarige – kinderen geboren, over wie zij gezamenlijk het ouderlijk gezag uitoefenen. Alle betrokkenen hebben de Nederlandse nationaliteit. Het gezin woont in A (buitenland). In juni 2017 is de vrouw, zonder toestemming van de man, met de kinderen naar Nederland vertrokken.
De man verzoekt de Rechtbank de teruggeleiding van de kinderen naar A te gelasten. De Rechtbank wijst dit verzoek af, waarna de man in hoger beroep gaat.
Vaststaat dat de overbrenging van de kinderen naar Nederland is gebeurd in strijd met het gezagsrecht van de man, alsmede dat deze overbrenging aangemerkt dient te worden als ongeoorloofd in de zin van artikel 3 van het Haags Kinderontvoeringsverdrag (HKOV). In principe dient dan op grond van artikel 12 HKOV de onmiddellijke terugkeer van de kinderen naar A te volgen, tenzij sprake is van één of meer weigeringsgronden in de zin van artikel 13 HKOV.
De twee oudste kinderen van partijen, dochter D en zoon Z, zijn afzonderlijk en meerdere keren door het Gerechtshof gehoord. Beide kinderen hebben verklaard dat zij het liefst in Nederland zouden blijven wonen. In A hadden zij last van de vele verhuizingen en wisselingen van school. D voelde zich niet thuis in A, omdat haar ouders veel ruzie maakten, er sprake was van huiselijk geweld en zij ver weg woonden van haar familie. Z werd in A gepest en mishandeld door leeftijdgenoten en werd door zijn vader geslagen. Zowel D als Z hebben, sinds zij in Nederland wonen, geen contact meer met hun vader en hebben daar ook geen behoefte aan. Z is, tenslotte, blij dat hij zijn familie van moederszijde in Nederland weer ziet en eens per twee weken naar zijn voormalige pleegouders gaat.
Op basis van deze verklaringen van de kinderen, concludeert het Hof dat D en Z bij de Rechtbank nagenoeg hetzelfde hebben verklaard. Het Hof acht de verklaringen derhalve consequent. Voorts stroken hun uitspraken onderling met elkaar, nu D en Z bij beide instanties nagenoeg hetzelfde hebben verklaard over hun situatie in A.
Uit de verklaringen van de oudste kinderen van partijen leidt het Hof af dat D en Z zich verzetten tegen terugkeer naar A. Hun weerstand om terug te keren naar A bestaat uit meerdere factoren, waaronder veelvuldige ruzies en geweld binnen de gezinssituatie, meerdere verhuizingen en wisselingen van school en het gepest worden van Z. D en Z hebben tijdens de gesprekken bij het Hof duidelijk verklaard hiervan last te hebben en – na alles wat zich in het verleden heeft afgespeeld – rust te willen.
Vaststaat dat er in het gezin langere tijd sprake is van multi-problematiek. In 2006 is de Raad voor de Kinderbescherming bij het gezin betrokken geraakt en zijn kinderbeschermingsmaatregelen genomen, waarbij de kinderen in 2011 uit huis zijn geplaatst. In 2013 zijn de kinderen weer thuis geplaatst en is – zowel in het gedwongen, als in het vrijwillige kader – hulpverlening ingezet. In 2015 zijn partijen met de kinderen (voor de hulpverlening) naar A gevlucht. Ook in A is een family worker en later een independent domestic violence advisor bij het gezin betrokken geraakt vanwege met huiselijk geweld tussen partijen. Gedurende een bepaalde periode zijn de kinderen in A niet naar school gegaan.
Gelet op het voorgaande kan geconcludeerd worden dat al zeer lang sprake is van een kwetsbare opvoedingsomgeving voor de kinderen, waarbij zij geconfronteerd zijn met onzekerheid, onvoorspelbaarheid en instabiliteit. Alle kinderen vertonen – al langere tijd – zorgelijke kind-signalen.
Het Hof deelt het standpunt van de man dat de kinderen uitsluitend hebben aangegeven “liever” in Nederland dan in A te verblijven, niet. De verklaring van de kinderen – dat zij niet wensen terug te keren naar A – is niet enkel als “een voorkeur” te duiden, maar reikt verder en heeft ook betrekking op de situatie waarin de kinderen hebben verkeerd, te weten een onrustige leefsituatie, met veel spanningen en geweld en constante wisselingen van woonplaats en school. Het Hof acht de verklaringen van D en Z betrouwbaar en niet door hun moeder ingegeven. De leeftijd en mate van rijpheid van de oudste twee kinderen van partijen rechtvaardigt dat met hun mening rekening dient te worden gehouden. Het Hof concludeert dat er bij D en Z sprake is van verzet in de zin van artikel 13 lid 2 HKOV.
Het Hof komt tevens tot het oordeel dat de kinderen bij terugkeer naar in een ondragelijke toestand zullen komen te verkeren A. Alle vier de kinderen hebben een zeer belast verleden, waardoor het in hun belang geacht dient te worden dat er rust en stabiliteit in hun situatie komt. Hoewel de (thuis)situatie bij de vrouw zorgelijk blijft, acht het Hof het in het belang van de kinderen dat zij in Nederland kunnen blijven wonen, waar de ingezette hulpverlening kan worden gecontinueerd en de kinderen kunnen beginnen met de verwerking van hun trauma’s uit het verleden. Zelfs een terugkeer voor een kortere periode – bijvoorbeeld tot het moment waarop de bodemrechter in A de vrouw toestemming geeft om met de kinderen in Nederland te wonen – zal voor de kinderen opnieuw een verstrekkende verandering in hun woon- en leefsituatie inhouden, hetgeen redelijkerwijs niet van hen kan worden gevergd.
Het Hof bekrachtigt de beschikking van de rechtbank.
De uitspraak is hier na te lezen.