Geen vervangende toestemming voor verhuizing naar België
Moeder (M) en vader (V) hebben gezamenlijk gezag over hun zoon (Z), die in 2020 is geboren. Het gezin woonde oorspronkelijk in de omgeving van Utrecht.
Na de relatiebreuk verhuisde M tijdelijk met Z naar België. Daar is zij gaan samenwonen met haar nieuwe partner, met wie zij inmiddels een tweede kind heeft gekregen.
M en V spraken voorafgaand aan de verhuizing van M met Z naar België schriftelijk af dat het verblijf in België tijdelijk zou zijn en dat Z vanaf zijn vierde in Nederland naar school zou gaan.
Tijdens de procedure stelde de rechter een voorlopige zorgregeling vast, waarbij Z twee weekenden per drie weken bij V verbleef.
M verzocht de rechtbank om vervangende toestemming aan haar te verlenen om met Z in België te blijven wonen en het hoofdverblijf van Z bij haar te bepalen. Daarnaast vroeg zij om de zorgregeling aan te passen, zodat Z eens per twee weken bij V zou verblijven.
V voerde verweer tegen deze verzoeken. Hij vroeg juist om het hoofdverblijf van Z bij hem vast te stellen, met een ruime vakantieregeling voor M.
Ouders met gezamenlijk gezag moeten belangrijke beslissingen, zoals over de woonplaats van het kind, samen nemen. Zonder toestemming van V mocht M daarom niet zelfstandig besluiten om in België te blijven wonen.
Volgens vaste rechtspraak moet bij de beoordeling van een verzoek tot vervangende toestemming een belangenafweging worden gemaakt waarbij het belang van het kind voorop staat.
De rechtbank ziet de noodzaak die M heeft aangevoerd. Zij heeft in België een nieuwe partner met wie zijn een tweede kindje gekregen. Haar nieuwe partner wil niet naar Nederland verhuizen. Het belang voor M om in België te blijven wonen is groot.
De rechtbank heeft ook begrip voor de woningnood die M heeft aangevoerd als onmogelijkheid om naar Nederland te komen. Bovendien is de woonplaats inmiddels na 2,5 jaar een vertrouwde omgeving waar Z vriendjes heeft gemaakt en naar school gaat.
Aan de andere kant verliest Z bij toewijzing van het verzoek van M de mogelijkheid om een groot deel van de tijd op te groeien bij V.
De Raad voor de Kinderbescherming heeft op zitting toegelicht dat Z nog jong genoeg is om zijn huidige woon- en sociale omgeving te veranderen.
Daar komt bij dat M de verhuizing niet goed heeft doordacht en voorbereid waardoor zij niet in het belang van Z heeft gehandeld.
M heeft van een tijdelijke situatie een permanente situatie gemaakt, zonder V daarin te betrekken of ruimte te laten voor gelijkwaardig ouderschap.
De rechtbank maakt zich zorgen over de slechte en beperkte communicatie tussen de ouders. Zo werd V niet geïnformeerd over het nieuwe woonadres van Z en pas laat op de hoogte gebracht van de geboorte van het halfzusje van Z.
Bovendien was M vaag over een recente vakantie naar Italië, waarbij onduidelijkheid bleef of Z bij haar was of niet. Haar verhaal was ongeloofwaardig.
Dergelijke gedragingen bevestigen het beeld dat M het contact tussen V en Z niet stimuleert.
Volgens de rechtbank is het niet in het belang van Z om samen met M naar België te verhuizen. De rechtbank acht, mede op advies van de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK), een co-ouderschapsregeling in Nederland meer in het belang van Z.
De rechtbank stelt vervolgens het hoofdverblijf van Z vast bij V.
Uit observaties van de RvdK blijkt dat Z open, rustig en speels in contact is met V.
De rechtbank acht V, mede dankzij de betrokkenheid en ondersteuning van het Buurtteam, in staat om de dagelijkse zorg op zich te nemen.
Volgens de rechtbank weegt het belang van Z om een sterke band met zijn beide ouders op te bouwen zwaarder dan het belang van M om in zijn huidige omgeving, bij M en zijn halfzusje te blijven. De rechtbank wijst de verzoeken van M af en die van V toe.
De volledige uitspraak is hier te lezen.