Geen rechtsmacht van de Nederlandse rechter ten aanzien van het verzoek tot hoofdverblijfplaats
Uit het in India gesloten huwelijk tussen partijen is (in India) een – thans nog minderjarige – zoon geboren. De man en de zoon hebben de Indiase nationaliteit, de vrouw de Nederlandse. In verband met haar werk, heeft de vrouw zich in 2006 in Nederland gevestigd, waarna de man en de zoon in 2008 volgden. Tot 2015 hebben zij in gezinsverband samengewoond. De vrouw verzoekt de Nederlandse rechter om de echtscheiding tussen haar en de man uit te spreken en de hoofdverblijfplaats van de zoon bij haar te bepalen.
Uit de door de Rechtbank ambtshalve geraadpleegde Basisregistratie Personen, blijkt dat de man sinds 5 april 2016 niet meer ingeschreven staat op een adres in Nederland en dat hij is geëmigreerd naar India. Een woon- of verblijfadres van hem in India of ergens anders is niet bekend. De rechtbank acht voldoende aannemelijk geworden dat de vrouw genoeg heeft gedaan om de verblijfplaats van de man te achterhalen.
De rechtbank stelt vast dat (1) het verzoekschrift conform de betekeningsvoorschriften van artikel 816 jo. 54 Rv aan de man is betekend, (2) terwijl behoorlijk daartoe opgeroepen, de man niet ter zitting is verschenen en (3) hij binnen de daartoe gestelde termijn geen verweerschrift heeft ingediend.
Nu de vrouw voldoende heeft gemotiveerd dat het voor haar nog niet mogelijk was een door beide partijen akkoord bevonden ouderschapsplan ex artikel 815 lid 2 Rv over te leggen, is zij ontvankelijk in haar verzoek. De Rechtbank wijst het echtscheidingsverzoek van de vrouw toe.
De vrouw verzoekt tevens om de hoofdverblijfplaats van de zoon bij haar te bepalen. Zij brengt naar voren dat de man in 2015 – met haar instemming – met hun zoon naar Dubai is vertrokken. Het was de bedoeling dat de man aldaar werk zou zoeken, dat de zoon daar naar school zou gaan en dat de vrouw zich later bij hen zou voegen. De vrouw heeft echter nimmer meer iets van de man vernomen en vermoedt dat hij met de zoon naar India is gegaan. De vrouw geeft aan een vriend van de man, de politie en een privédetective te hebben ingeschakeld voor het achterhalen van de verblijfplaats van de man, maar dat deze zoektocht niets heeft opgeleverd.
De Rechtbank oordeelt dat, nu (1) de zoon in 2015 met instemming van de vrouw naar Dubai is verhuisd, (2) de Verenigde Arabische Emiraten, noch India lidstaat is in de zin van Brussel II-bis en (3) niet is gebleken dat de bevoegdheid van de Nederlandse rechter door de gezaghebbende vader is aanvaard, stelt de Rechtbank vast dat de Nederlandse rechter geen rechtsmacht kan ontlenen aan de bepalingen van Brussel II-bis.
Noch kan de Rechtbank bevoegdheid ontlenen aan artikel 7 lid 1 Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996. Van ongeoorloofde overbrenging is namelijk geen sprake. Voor zover als gevolg van de verbreking van het contact tussen partijen een situatie zou zijn ontstaan van niet (doen) terugkeren en ervan moet worden uitgegaan dat de vrouw daarin niet heeft berust, kan de Nederlandse rechter aan dit verdrag evenmin bevoegdheid ontlenen. De zoon heeft tenslotte – nadat de vrouw kennis had moeten krijgen van zijn verblijfplaats – tenminste één jaar zijn verblijfplaats in een andere staat of andere staten gehad. Door de vrouw is binnen dat jaar geen verzoek tot zijn terugkeer ingediend en gelet op het tijdsverloop moet voorts worden aangenomen dat de zoon inmiddels in zijn nieuwe omgeving is geworteld.
Nu geen bevoegdheid kan worden ontleend aan Brussel II-bis of het Haagse Kinderbeschermingsverdrag 1996, wordt de rechtsmacht van de Nederlandse rechter in deze zaak bepaald door artikel 4 lid 3 Rv. In principe brengt de rechtsmacht ten aanzien van het echtscheidingsverzoek tevens rechtsmacht ten aanzien van daarmee verband houdende nevenvoorzieningen mee. Echter, met betrekking tot verzoeken tot regeling van het gezag en de omgang – waaronder het vaststellen van de hoofdverblijfplaats van een minderjarige – dient de Nederlandse rechter zich onbevoegd te verklaren als hij zich vanwege de geringe verbondenheid van de zaak met de rechtssfeer van Nederland, niet in staat acht het belang van het kind naar behoren te beoordelen. Naar het oordeel van de Rechtbank is dit in casu aan de orde, nu de zoon al meer dan twee jaar niet meer in Nederland woont en zijn huidige verblijfplaats en opvoedsituatie onbekend zijn. De Rechtbank verklaart zich daarom onbevoegd kennis te nemen van het verzoek tot vaststelling van de hoofdverblijf van de zoon.
De volledige uitspraak kan hier worden nagelezen.