Duitse rechter weigert tenuitvoerlegging van een onherroepelijke uitspraak van de Nederlandse rechter
Uit het – inmiddels door echtscheiding ontbonden – huwelijk tussen partijen is in 2010 zoon Z geboren. Z heeft zijn hoofdverblijfplaats bij zijn moeder, de vrouw. De vrouw heeft in 2015 de Rechtbank verzocht om haar vervangende toestemming te verlenen om met Z naar Duitsland te verhuizen. De rechtbank heeft dit verzoek toegewezen, waarop de vrouw en Z in augustus 2015 naar Duitsland zijn vertrokken, waar zij hun intrek hebben genomen bij de nieuwe partner van de vrouw.
Bij beschikking van 25 februari 2016 vernietigt het Hof de uitspraak van de Rechtbank en gelast dat de vrouw en Z uiterlijk op 1 augustus 2016 naar Nederland terug dienen te verhuizen. De vrouw voldoet niet aan de beschikking van het Hof.
De vrouw is tegen de uitspraak van het Gerechtshof in cassatie gekomen. Haar cassatieberoep is op 24 maart 2017 door de Hoge Raad afgewezen. Tussen de man en Z is geen enkel contact meer (geweest). De vrouw en Z wonen nog altijd in Duitsland.
De man wendt zich tot het Amtsgericht (vergelijkbaar met de Nederlandse kantonrechter) om de uitspraak van het Hof van 25 februari 2016 uitvoerbaar te verklaren.
Het Amtsgericht overweegt het volgende. Op grond van artikel 31 lid 2 Brussel II-bis mag het verzoek tot uitvoerbaarverklaring uitsluitend om één van de in artikel 22, 23 en 24 Brussel II-bis genoemde redenen worden afgewezen. In dit geval is sprake van een grond tot weigering van de erkenning van een beslissing zoals genoemd in artikel 23 sub b Brussel II-bis. Op grond van dat artikel wordt een uitspraak aangaande de ouderlijke verantwoordelijkheid niet erkend als de beslissing is gegeven zonder dat het kind de mogelijkheid heeft gehad om te worden gehoord en daarmee wezenlijke procesrechtelijke grondbeginselen van de lidstaat waarin om erkenning wordt verzocht, worden geschonden. Deze voorwaarden zijn in casu aan de orde, nu Z in de gerechtelijke procedures in Nederland nimmer is gehoord. Daarmee zijn er fundamentele procesrechtelijke beginselen van het Duitse recht geschonden.
Op grond van § 159 FamFG (Duitse wet inzake de processen in familiezaken en in zaken van vrijwillige rechtspraak) dient het kind, dat het 14e levensjaar nog niet heeft voltooid, persoonlijk te worden gehoord als de voorkeuren, banden of de wil van het kind van belang zijn voor de beslissing, of het omwille van andere redenen raadzaam is om het kind in persoon te horen. Volgens Duitse rechtspraak dienen kinderen in ieder geval vanaf 3, op zijn laatst vanaf 4 jaar met regelmaat te worden gehoord. Het horen van kinderen is in het Duitse recht een elementair procesrechtelijk grondbeginsel, met hetzelfde niveau als een grondwettelijke bepaling.
Overeenkomstig de Duitse rechtsbeginselen zou Z in een in Duitsland gevoerde procedure persoonlijk door de Rechtbank zijn gehoord teneinde zijn voorkeuren en gedachten te onderzoeken. Z was, toen de zaak bij het Hof Arnhem-Leeuwarden aanhangig was, 5 jaar oud en kon derhalve op zinvolle wijze worden gehoord over het vraagstuk waar hij voortaan zou dienen te wonen: bij zijn vader in Nederland of bij zijn moeder in Duitsland. Een 5-jarige jongen kan zonder meer zodanig over het betreffende vraagstuk worden gehoord dat daardoor van belang zijnde informatie kan worden verkregen.
Het Amtsgericht wijst het verzoek van de man af.
Amtsgericht Celle (D) 28 juni 2017, zaaknr. 23 F 23079/17 HK