Appje was toestemming voor verhuizing
Uit de affectieve relatie tussen de vader en de moeder is in 2019 zoon Z geboren, over wie de moeder van rechtswege het eenhoofdig gezag uitoefent. Het gezin woont in [A] in de woning van de vader. De moeder heeft haar wortels in het 70 km verderop gelegen [B].
In december 2022 wordt de relatie en samenwoning tussen de ouders beëindigd. De moeder betrekt vervolgens een kleine studio (25 m2) in [A], waarbij de ouders een birdnesting-regeling overeenkomen. In januari 2023 beëindigt de vader eenzijdig deze regeling, waarop hij de sleutel van zijn woning van de moeder terugeist.
Z heeft zijn hoofdverblijfplaats bij zijn moeder. Tussen hem en de vader is een omgangsregeling van kracht. In februari 2023 wordt de vader samen met de moeder belast met het ouderlijk gezag over Z.
Op 11 februari 2023 stuurt de moeder het volgende WhatsApp-bericht naar de vader: ‘Ik wil je even laten weten dat ik waarschijnlijk een woning heb gevonden. Ik zoek al 1,5 jaar hier een woning in [A], maar dat gaat gewoon niet lukken. In [B] sta ik al 11 jaar ingeschreven bij de woningbouw en kan nu een 4 kamer appartement krijgen met een tuin. Ik wil ook verder met mijn leven en een normale thuissituatie hebben voor [Z], want dit is geen leven zo in een studio. Ik wil echt dat we beiden zoveel mogelijk met [Z] zijn en dat we daar goede afspraken over maken. Laten we van de week even praten hoe jij het voor je ziet en wat je graag wilt’. De vader bericht per ommegaande terug: ‘Doe wat je moet doen, zorg alleen goed voor [Z]’. Drie dagen later ondertekent de moeder het huurcontract voor het appartement en vestigt zij zich met Z in [B]. Nu twisten de ouders over de vraag of de moeder uit het bericht van de vader d.d. 11 februari 2023 mocht afleiden dat hij toestemming gaf om met Z naar [B] te verhuizen.
De rechtbank stelt voorop dat het in de weken voorafgaand aan 11 februari 2023 voor de ouders duidelijk was dat het verblijf van de moeder in de studio geen houdbare situatie was. Daarnaast wist de vader, toen hij de sleutel van zijn woning terugvorderde, dat de moeder actief op zoek was naar geschikte woonruimte in (de omgeving van) [A]. Met het innemen van de sleutel van de woning door de vader, heeft hij de moeder in feite voor het blok gezet. Omdat de moeder de zorg voor Z heeft, moest zij wel op zoek gaan naar geschikte woonruimte voor haarzelf en Z.
Uit de tekst van het bericht van de moeder van 11 februari 2023 blijkt duidelijk wat de strekking was: de moeder wilde met Z verhuizen naar [B], had een concrete woning op het oog en wilde van de vader weten wat hij van dat voornemen vond. Uit de reactie van de vader per WhatsApp kon de moeder naar het oordeel van de rechtbank afleiden dat hij het aan haar overliet of zij wel of niet (samen met Z) zou gaan verhuizen. Daarbij was zijn (enige) voorwaarde dat de moeder goed voor Z moest zorgen. De moeder heeft dan ook terecht dit bericht van de vader opgevat als zijn instemming met haar verhuisplan. Weliswaar heeft der vader ter zitting verklaard dat hij zijn reactie uit boosheid en frustratie heeft gestuurd en dat hij er met zijn hoofd niet bij was, maar de rechtbank constateert dat de vader vervolgens niet op dezelfde dag of kort daarop op de inhoud van zijn bericht is teruggekomen. Dat had wel voor de hand gelegen als hij het daadwerkelijk zo oneens was met het voornemen van de moeder. Voor de moeder was het daardoor niet kenbaar dat de vader boos en gefrustreerd was en het niet eens was met haar verhuisplan. De stelling van de vader dat hij zo boos en gefrustreerd was omdat hij een paar keer tevergeefs geprobeerd had om een afspraak met de moeder te maken, heeft hij bovendien op geen enkele manier concreet gemaakt. De rechtbank gaat ervan uit dat de moeder te goeder trouw heeft gemeend de toestemming van de vader voor de verhuizing te hebben. Zo heeft zij al op 14 februari een filmpje van de nieuwe woning naar haar schoonmoeder gestuurd. Dat had niet voor de hand gelegen als zij heimelijk had willen handelen. De moeder heeft open over de voorgenomen verhuizing gecommuniceerd met de vader en zijn familie.
De moeder heeft ter zitting verklaard dat zij van mening is dat over een verhuizing van een kind altijd overleg tussen de ouders dient plaats te vinden, ongeacht de gezagsstatus van de vader. De rechtbank vindt dat haar handelwijze strookt met die opvatting. Tot slot weegt de rechtbank mee dat de vader de sleutel van de woning heeft teruggevraagd aan de moeder en daarmee eenzijdig een einde heeft gemaakt aan de birdnesting-constructie, terwijl hij de verantwoordelijkheid voor het vinden van een oplossing voor de benarde woonsituatie van de moeder helemaal bij haar heeft gelaten. Hierdoor was de moeder gedwongen zelfstandig op zoek te gaan naar een op korte termijn beschikbare en geschikte woning. De vader kon, met andere woorden, verwachten dat de moeder snel met een oplossing voor haar woonprobleem zou komen.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de moeder uit de bewoordingen en het gedrag van de vader mocht afleiden dat zij met Z naar [B] kon verhuizen. De vader heeft hiervoor toestemming gegeven, zodat er geen vervangende toestemming van de rechtbank nodig is.
Rechtbank Midden-Nederland 1 september 2023, 16/556693 / F0 RK 23-586 (niet gepubliceerd).