Vervangende toestemming voor een vakantie die in het verleden ligt: geen belang meer bij hoger beroep
Uit de affectieve relatie tussen moeder (M) en vader (V) is in 2019 een zoon (Z) geboren. Beide ouders hebben gezamenlijk gezag over Z, die zijn hoofdverblijfplaats bij M heeft. M heeft de Nederlandse en Russische nationaliteit. Omdat V geen toestemming geeft, verzoekt M bij de rechtbank om vervangende toestemming om naar Rusland te reizen, voor een familiebezoek.
M voert aan dat het in het belang van Z is om zijn culturele identiteit te ontwikkelen door familie in Rusland te bezoeken. Zij stelt dat de beoordeling van het verzoek gebaseerd moet worden op de feiten en omstandigheden van deze specifieke situatie en niet op het negatieve reisadvies van de Nederlandse overheid.
De rechtbank wijst dit verzoek af. M gaat in hoger beroep en verzoekt de vervangende toestemming alsnog toe te wijzen.
Het hof komt niet toe aan een inhoudelijke beoordeling. Het hof oordeelt dat dit verzoek geen feitelijke betekenis heeft aangezien de vakantie in het verleden ligt op het moment van hoger beroep, waardoor M geen belang meer heeft bij haar verzoek (art. 3:303 jo. 3:59 BW).
M voert aan dat de eerdere afwijzing bij toekomstige verzoeken in haar nadeel kan werken. Het hof volgt deze redenering niet: de eerdere uitspraak heeft namelijk geen gezag van gewijsde. Mocht M in de toekomst opnieuw vervangende toestemming vragen voor een reis naar Rusland, dan zal de rechtbank alle omstandigheden opnieuw beoordelen, zonder gebonden te zijn aan het eerdere oordeel van de vorige afwijzing.
Het hof wijst erop dat deze zaak verschilt van zaken waarin een rechterlijke uitspraak over jeugdbescherming of omgangsregelingen gevolgen kan hebben, ook al is de geldigheidsduur inmiddels verstreken. In dit geval is het procesbelang vervallen omdat de vakantie voorbij is.
Het hof verklaart moeder niet-ontvankelijk in hoger beroep.
De volledige uitspraak is hier te lezen.