Moeder mag na een vakantie met dochter in Brazilië blijven
Uit het huwelijk tussen Moeder 1 (M1) en Moeder 2 (M2), beiden van Braziliaanse nationaliteit, is in 2021 in Brazilië dochter D geboren.
Partijen oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag over D uit.
Het gezin woont in Brazilië, maar vestigt zich begin 2023 in Nederland. Een aantal maanden later gaan partijen feitelijk uiteen.
In juli 2024 reist M1 (met toestemming van M2) met D naar Brazilië voor een korte vakantie. Eenmaal daar aangekomen, deelt zij M2 mede dat zij en D niet meer naar Nederland zullen terugkeren.
M1 verzoek de rechtbank om de hoofdverblijfplaats van D bij haar te bepalen en om haar vervangende toestemming te verlenen om met D naar Brazilië te verhuizen. De rechtbank wijst deze verzoeken toe. M2 gaat tegen deze uitspraak in hoger beroep. Intussen is het huwelijk tussen partijen door echtscheiding ontbonden.
Het gerechtshof overweegt als volgt.
M1 heeft verklaard dat zij, nadat zo kort na hun aankomst in Nederland de relatie eindigde, geen toekomst meer voor zichzelf en D in Nederland zag. Het huis was te kostbaar om door haar alleen te bekostigen, ze had (te) weinig werk en geen vrienden en familie in Nederland. Dit werd allemaal duidelijk toen M1 in de zomer van 2024 met D weer terug in haar vertrouwde omgeving in Brazilië was.
Dat M2 slechts toestemming voor de tiendaagse vakantie van M2 had gekregen, maar vervolgens niet terugkeerde, rekent het hof M1 zwaar aan. Hierdoor heeft M1 in strijd gehandeld met de belangen van zowel M2 als van D, die zij beiden voor voldongen feiten heeft gesteld.
Het hof overweegt twee moeders te zien die veel van D houden en allebei voor haar willen zorgen. De afstand maakt het echter onmogelijk om die zorg te verdelen. Hierdoor heeft de keuze bij wie het hoofdverblijf van D zal zijn, vergaande gevolgen voor de contactmogelijkheden met de ouder bij wie D niet woont. Het hof oordeelt in dit kader dat M2 onvoldoende heeft onderbouwd dat de door de rechtbank gemaakte belangenafweging anders zou moeten uitvallen en de verzoeken van M1 alsnog zouden moeten worden afgewezen. Het hof sluit zich aan bij het oordeel van de rechtbank dat de situatie voor D zowel bij M2 in Nederland, als bij M1 in Brazilië goed genoeg is. Door grondig te debatteren over de hoofdverblijfplaats van D, lijken partijen echter het belang van hun dochter uit het oog te verliezen.
Het hof komt tot het oordeel dat D beter af is in Brazilië en (dus) bij M1. Daarbij speelt voor het hof mee dat zowel de beide moeders, als D de Braziliaanse nationaliteit hebben, de taal van hun geboorteland spreken, in Brazilië zijn geboren en daar het grootste deel van hun leven hebben gewoond en daar een netwerk hebben. M1 en D spreken (nog) geen Nederlands en M2 en D hebben in Nederland nog amper een netwerk. Behalve de (buitenschoolse) kinderopvang heeft M2 daardoor, als alleenstaande werkende moeder, geen vangnet om op terug kunnen vallen. M2 heeft erop gewezen dat zij en M1 het voornemen hadden om D in Nederland te laten opgroeien, maar aan dat argument kent het hof geen doorslaggevende betekenis toe, aangezien de omstandigheden sterk gewijzigd zijn.
Het hof bekrachtigt de beschikking van de rechtbank.
De volledig uitspraak is hier te lezen.