Moeder mag met zoon in Australië blijven wonen
Uit de affectieve relatie tussen de ouders is in 2017 zoon Z geboren, over wie de moeder van rechtswege het eenhoofdig ouderlijk gezag uitoefent. Dochter D is in 2012 uit een eerdere relatie van de moeder geboren. Het gezin woonde in Nederland, in woonplaats [A].
In 2019 is de relatie en samenleving tussen de ouders beëindigd. Beide kinderen hebben hun hoofdverblijfplaats bij hun moeder.
In augustus 2022 is de moeder met haar kinderen naar Australië verhuisd. Sinds september 2022 heeft de vader, die met langdurige psychische problematiek kampt, geen contact meer met zijn zoon.
De vader heeft de rechtbank verzocht te bevelen dat de moeder moet terugverhuizen naar [A].
Onder verwijzing naar de uitspraak van de Hoge Raad van 15 oktober 2021 (ECLI:NL:HR:2021:1513) overweegt de rechtbank als volgt.
Nadat de moeder op 21 augustus 2022 met zoon Z naar Australië is vertrokken, hebben de vader en Z nog een paar keer met elkaar getelefoneerd. Begin september 2022 heeft de moeder het contact met de vader volledig verbroken. Zij heeft de vader sindsdien ook niet meer over hun kind geïnformeerd, ondanks het feit dat zij zich bewust is van het feit dat zij jegens de vader een informatieplicht heeft.
Momenteel is er geen enkele vorm van omgang en contact meer tussen Z en zijn vader. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de moeder niet voldoet aan de op haar rustende verplichting om de omgang met en de band tussen Z en zijn vader te bevorderen.
De vraag is of in dit geval een bevel tot terugverhuizing naar Nederland een gepaste maatregel is.
De rechtbank is van oordeel dat bij terugkeer van Z naar Nederland een omgangsregeling tussen hem en zijn vader, waarbij er sprake is van zelfstandig omgang tussen die twee, niet op korte termijn in de lijn der verwachting ligt.
Daartoe is in de eerste plaats de omstandigheid redengevend dat niet is gebleken dat een dergelijke omgang sinds het uiteengaan van partijen heeft plaatsgevonden, laat staan dat gebleken is dat de vader sindsdien een rol in de verzorging en opvoeding van zijn zoon heeft vervuld. Evenmin is gebleken dat de vader daarom heeft gevraagd bij de moeder, althans bij de rechtbank.
In de tweede plaats is de rechtbank van oordeel dat de (psychische) problematiek van de vader, waarvoor hij – afgezien van een opname van enkele weken in 2019 – geen behandeling heeft ondergaan, hieraan in de weg staat. De vader heeft weliswaar weersproken dat er sprake is geweest van (fysiek en seksueel) geweld jegens de moeder, maar voldoende gebleken is dat de problematiek van de vader zijn weerslag heeft gehad op de relatie tussen de ouders en (daarmee) dus ook op Z. Deze problematiek is mede de oorzaak van de huidige weerstand van de moeder jegens contact tussen de vader en Z.
Volgens de moeder is er vanuit de hulpverlening in Australië aangegeven dat zowel Z, als zijzelf eerst rust nodig hebben. En dat als de situatie weer wat meer stabiel is en Z zijn trauma’s heeft verwerkt, het contact met zijn vader langzaam weer (vanuit Australië) kan worden opgebouwd. De vader heeft er weliswaar terecht op gewezen dat de moeder haar stelling dat Z therapie krijgt gericht op het verwerken van trauma’s niet heeft onderbouwd, maar gelet op het verleden komt het de rechtbank niet onaannemelijk voor dat Z de afgelopen jaren trauma’s heeft opgelopen en hiervoor hulp behoeft voordat het contact met zijn vader opnieuw kan worden opgebouwd.
De rechtbank overweegt dat terugkeer van Z naar Nederland op korte termijn niet het door de vader gewenste effect, te weten herstel van het contact, zal hebben. De rechtbank acht een bevel tot terugverhuizen dan ook, mede gelet op het hiernavolgende, geen passende maatregel om dat contact weer te herstellen.
Z woont nu bijna een jaar in Australië. Uit de door de moeder overgelegde stukken blijkt dat het goed met hem gaat, op school en op zwemles. De rechtbank heeft geen reden om aan het waarheidsgehalte van die informatie te twijfelen. De moeder is daarnaast inmiddels getrouwd met een Australische man. Ook dochter D zou dan moeten terugverhuizen. De moeder heeft onweersproken gesteld dat het ook met D goed gaat in Australië. Haar eigen ouders (de grootouders van D en Z) verblijven regelmatig bij het gezin in Australië, dus met hen is het contact – ondanks het vertrek – goed gebleven.
Kort en goed, de moeder en de kinderen raken steeds meer verbonden en vertrouwd met de nieuwe omgeving in Australië en lijken daar goed te gedijen. Een terugverhuizing naar Nederland zal dan ook zeer ingrijpend zijn voor Z en de rest van het gezin. Aannemelijk is ook dat de stress en emotie van een terugverhuizing een flinke weerslag zal hebben op de moeder als opvoeder, wat niet in het belang van de kinderen te achten is.
De rechtbank wijst daarom het verzoek van de vader af.
De volledige uitspraak is hier te lezen.