Vakantie in tijden van Corona III
Uit het huwelijk tussen de ouders zijn twee (nu nog) minderjarige kinderen geboren, over wie zij gezamenlijk het ouderlijk gezag uitoefenen. Partijen zijn in een echtscheidingsprocedure verwikkeld. De kinderen hebben hun hoofdverblijfplaats bij hun moeder en een omgangsregeling met hun vader.
In kort geding vordert de vader om vervangende toestemming aan hem te verlenen om gedurende twee weken van de zomervakantie met de kinderen naar een camping in midden-Frankrijk af te reizen. De vrouw vordert op haar beurt het de vader te verbieden om met de kinderen naar Frankrijk te reizen en te bepalen dat hij op vakantie kan gaan in Nederland. Voor het geval de vordering van de vader zou worden toegewezen, vordert de vrouw dat hij direct terug naar Nederland dient te komen als de codering van ‘geel’ wijzigt naar ‘oranje’, of wanneer één van de kinderen Corona-gerelateerde klachten heeft, één en ander op straffe van een dwangsom.
De Voorzieningenrechter oordeelt dat – in tegenstelling tot hetgeen de moeder stelt – niet vast staat dat partijen overeengekomen zijn dat de vader met de kinderen in Nederland vakantie zou vieren. Uit de door de moeder overgelegde transcriptie van een telefoongesprek d.d. 26 mei 2020 kan niet anders worden afgeleid dan dat de vader, teneinde de moeder tegemoet te komen, heeft gezegd te zullen proberen een vakantie te boeken in Nederland. De vader heeft ter zitting verklaard dat het thans lastig is om in eigen land een vakantie te boeken, mede vanwege de hoge kosten en dat hij zich daarom is gaan oriënteren op een vakantie naar België of Frankrijk.
Naar het oordeel van de Voorzieningenrechter heeft de moeder geen gegronde redenen aangevoerd op grond waarvan zij niet zou hoeven mee te werken aan de vakantie van de man met de kinderen naar Frankrijk. Zij stelt zich zorgen te maken over de ontwikkelingen rondom het Coronavirus en de veiligheid van de kinderen in dat verband. Hoewel de Voorzieningenrechter begrip heeft voor de weerstand van de moeder tegen reizen naar het buitenland in tijden van Corona, hebben de ouders samen het gezag van de kinderen en is uitgangspunt dat de vader in de periode dat hij ‘de kinderen heeft’ beslist hoe hij die tijd invult. De Voorzieningenrechter acht een vakantie van de kinderen in Frankrijk op de wijze zoals de vader voor ogen staat, niet onverantwoord. Frankrijk is geen brandhaard (geweest) van de Corona-epidemie, het land is lid van de Europese Unie, er geldt geen negatief reisadvies voor Frankrijk (‘code geel’) en de vader verblijft daar met de kinderen op een camping. Niet aannemelijk is dat de kinderen en de vader tijdens de reis en tijdens het verblijf in Frankrijk een groter risico lopen dan in Nederland.
Ook is er geen enkele objectieve reden aangevoerd op grond waarvan moet worden aangenomen dat de vader zijn gezondheid of die van de kinderen in gevaar zal brengen wanneer de situatie zich negatief ontwikkelt. De vader heeft toegezegd dat hij zal terugkeren naar Nederland als hij of de kinderen Coronaverschijnselen gaan vertonen en/of er een uitbraak in de buurt van de camping is. De grootouders zijdens de man hebben zich bovendien bereid getoond, mocht dat nodig zijn, hulp te bieden bij een eventuele repatriëring. De vrees van de moeder dat zij mogelijk naar Frankrijk zal moeten afreizen, is daarmee afgewend.
Voor de stelling van de moeder dat de vader niet in staat zou zijn om twee weken voor de kinderen te zorgen, zijn geen enkele concrete aanwijzingen te vinden. Het komt de Voorzieningenrechter voor dat de moeder grote moeite heeft om de kinderen los te laten en onvoldoende in staat is om de vader het vertrouwen te geven dat hij de zorg voor de kinderen op zich kan nemen. Dat de moeder niet een dagje kan langskomen als de vader naar Frankrijk op vakantie gaat, kan evenmin aan het verlenen van toestemming voor de vakantie in de weg staan.
De Voorzieningenrechter wijst de vordering van de vader toe en die van de moeder af. De uitspraak is hier te lezen.