Vervangende toestemming voor verhuizing met en inschrijving op nieuwe school van kinderen toegewezen
De affectieve relatie tussen partijen is in 2017 beëindigd. Samen oefenen de man en de vrouw het gezamenlijk gezag over hun kinderen uit. De kinderen hebben hun hoofdverblijfplaats bij de vrouw. Partijen zijn ten aanzien van de afspraken over de kinderen een ouderschapsplan overeengekomen, die de Rechtbank heeft bekrachtigd. De vrouw inmiddels in X een nieuwe partner gevonden.
De vrouw verzoekt de Rechtbank om aan haar vervangende toestemming te verlenen om met de twee kinderen van partijen van A naar B te verhuizen, om aldaar bij haar nieuwe partner X in te trekken. Voorts verzoekt zij de Rechtbank om vervangende toestemming om de kinderen op een school aldaar in te schrijven.
De Rechtbank overweegt als volgt. Na het einde van de relatie tussen partijen, nu anderhalf jaar geleden, is de vrouw met de kinderen bij haar ouders gaan wonen. Deze oplossing is slechts tijdelijk. De kinderen en de vrouw hebben daar geen eigen plek, zij slapen met zijn allen op de zolder en één van de kinderen slaapt bij de vrouw in bed. Dit is, gelet op het gebrek aan ruimte en privacy, onwenselijk te achten, zowel voor de kinderen, als voor de vrouw. Met de verhuizing naar B wordt aan de kinderen een eigen thuis geboden.
De vrouw heeft voldoende aangetoond dat het voor haar niet mogelijk is om op afzienbare termijn een (huur)woning in (de buurt van) A te vinden. Zij is – met behulp van de woningbouwvereniging en jeugdzorg – al een jaar op zoek, maar zij komt niet in aanmerking voor een urgentieverklaring. Daarnaast is het al beperkte aanbod aan (huur)woningen, ook nog ongeschikt of te duur. Bovendien staat de hypotheekschuld van de gezamenlijke (koop)woning van partijen nog steeds mede op naam van de vrouw. De man heeft weliswaar verklaard dat hij het aandeel van de vrouw in de woning wenst over te nemen, maar duidelijk is dat dit niet op korte termijn mogelijk zal zijn.
De vrouw heeft voorts voldoende aannemelijk gemaakt dat de verhuizing naar B zorgvuldig door haar doordacht en voorbereid is. Zij heeft een duurzame relatie met haar nieuwe partner X, die een vaste baan en een koopwoning heeft, terwijl de vrouw op dit moment geen vaste baan heeft, noch een eigen (koop- of huur)woning. Het ligt dan ook voor de hand dat de vrouw en haar nieuwe partner hun gezamenlijke leven in B wensen op te bouwen. Ook kennen de kinderen van partijen zowel X, als zijn dochter goed: de kinderen hebben daar regelmatig gelogeerd. De vrouw heeft tevens onderzoek gedaan naar de school- en kinderopvangmogelijkheden voor de kinderen in B en heeft voor extra opvangmogelijkheden gezorgd.
De Rechtbank acht het verder van belang dat de vrouw de man op allerlei vlakken compensatie heeft geboden, maar dat de man hier niet voor openstaat. Zo is de vrouw bereid om de extra benzinekosten van de man voor haar rekening te nemen, een uitgebreidere zorgregeling tussen de man en de kinderen vast te laten stellen en de kinderen extra te halen en te brengen. De man acht echter geen enkele vorm van compensatie acceptabel en staat erop de huidige zorgregeling in stand te laten, waarbij hij echter uit het oog verliest dat de vrouw en de kinderen op (korte) termijn sowieso zullen (moeten) verhuizen. Handhaving van de huidige situatie is op (korte) termijn waarschijnlijk überhaupt niet mogelijk.
De verhuizing naar B houdt extra reistijd voor de kinderen in, maar de Rechtbank is van oordeel dat dit niet zodanig belastend voor hen is dat om die reden het verzoek tot vervangende toestemming dient te worden afgewezen. Ook de (slechte) communicatie tussen partijen is geen reden om de vervangende toestemming af te wijzen.
De Rechtbank wijst de verzoeken van de vrouw dan ook toe.
Rechtbank Oost-Brabant 9 mei 2018, zaaknummer C/01/331555 / FA RK 18-1081 (is niet gepubliceerd).