Vervangende toestemming voor verhuizing met kind naar België
In deze zaak zijn partijen in 2006 met elkaar getrouwd, uit welk huwelijk in 2007 zoon Z is geboren, over wie partijen gezamenlijk het ouderlijk gezag uitoefenen. Het huwelijk wordt in 2012 door echtscheiding ontbonden. Z heeft zijn hoofdverblijfplaats bij zijn moeder. Sinds 2015 heeft de vrouw een relatie met nieuwe partner X, die in België, woont. Tussen de man en Z bestaat een zorgregeling.
De rechtbank heeft het verzoek van de vrouw om haar vervangende toestemming te verlenen om met Z naar België te verhuizen en hem aldaar aan te melden bij een basisschool toegewezen.
De man komt tegen de uitspraak in hoger beroep.
Inmiddels zijn de vrouw en X met elkaar gehuwd.
Het hof overweegt dat Z altijd bij zijn moeder heeft gewoond en zij de verzorgende ouder is, hetgeen de man ook erkent. De vrouw is degene die de ouderavonden op school bezoekt en Z begeleidt tijdens bezoeken aan de huisarts, de tandarts e.d. Uit hetgeen door de man naar voren is gebracht maakt het hof niet op dat hij door de vrouw onder druk is gezet om toestemming te geven voor een verhuizing naar België. Evenmin is aannemelijk geworden dat zijn vrees dat hij in het geheel geen omgang meer met zijn zoon zal hebben op goede gronden is gebaseerd. De vrouw heeft verzekerd dat zij de bestaande verdeling van de zorg- en opvoedingstaken zal blijven ondersteunen en dat zij Z eens in de veertien dagen een zondag naar zijn vader zal brengen en hem daar ook weer zal ophalen. Het hof overweegt dan ook dat de verhuizing geen substantiële wijziging ten opzichte van de bestaande zorgregeling zal inhouden. Het is het hof verder niet gebleken dat sprake is van een structureel tussentijds contact tussen de man en Z, nu de man heeft aangegeven het aan Z over te laten om contact en omgang te hebben.
Het hof acht het ook in het belang van Z dat hij naar school in de buurt van zijn nieuwe woonplaats. Z is tweetalig – met zowel de Nederlandse, als de Poolse taal – opgevoed. Het hof is van oordeel dat er voor Z geen voorzienbare moeilijkheden zullen zijn om in België te gaan wonen, te meer nu hij aldaar, naast 12 uur Frans per week, ook 12 uur Nederlandse les zal krijgen.
Het hof acht het belang van Z om bij de vrouw te blijven en te verhuizen naar België groter dan zijn belang om in zijn vertrouwde omgeving te blijven wonen. De belangen van de man – die met name gelegen zijn in het behoud van contact en omgang met Z – worden afdoende beschermd door de wijze waarop de zorgregeling vanaf het moment van de verhuizing wordt gewaarborgd. Met name de toezegging van de vrouw het halen en brengen in de toekomst voor haar rekening te nemen, maakt dat de man niet eens een eigen – extra – inspanning hoeft te leveren. Dat er door de week geen of minder mogelijkheden zijn tot contact, raakt weliswaar het belang van de man, doch het hof laat het belang bij de verhuizing van zowel Z als de vrouw in dit geval prevaleren. De uitspraak van de rechtbank wordt door het hof bekrachtigt.
De volledige uitspraak is hier te lezen.